Ergens op elke afdeling ligt ‘ie. De patiënt met “die ene wond”.
Je weet wel, die wond die al maanden bestaat. Iedereen heeft er weleens naar gekeken. De wondverpleegkundige, de arts, de leerling, jij, je collega van de nachtdienst én de helpende van de andere afdeling die toevallig langsliep.
De wond is inmiddels beter bekend dan de patiënt zelf.
Er is een aparte la met verbandmiddelen voor aangemaakt, inclusief mysterieuze dozen met logo’s van fabrikanten die klinken als Pokémon. “Pak je even een Tegaderm, een Aquacel, en als het echt lekt: de Foam Extra Super Ultra Light met siliconenlaag? Nee, niet die zonder zilver. Die met.”
Tuurlijk.
Er is altijd discussie:
- “Ik vind dat het ruikt.”
- “Nee hoor, het ruikt altijd zo op maandag.”
- “Er zit wel meer fibrine op, of is dat necrose?”
- “Hé, moeten we hier nou wel of niet spoelen?”
- “Was dit nou een ulcer of een decubitus? Of een gecombineerde wond?”
En dan dat ene moment waarop je even alleen op de kamer bent, handschoenen aan, afvalbak klaar, de wond verzorgd moet worden… en er een geur vrijkomt die je even overvalt.
Je ademt rustig uit, probeert professioneel te blijven en herinnert jezelf eraan dat het voor de patiënt vaak nóg vervelender is dan voor jou.
Ondertussen kijkt mevrouw je hoopvol aan: “En… ziet het er al wat beter uit?”
Wat zeg je dan?
“Het gaat de goede kant op, hoor.”
(Je zegt het vriendelijk. Maar in je hoofd denk je: “Nou, het leeft nog…”)
Wondzorg is een vak apart.
Een mengeling van puzzelen, ruiken, gissen, protocol volgen, advies vragen, en uiteindelijk… gewoon maar doen. Want soms is het niet de wond die moeilijk is, maar alles eromheen.
Maar als die wond na weken ineens kleiner lijkt? Of droog? Of roze in plaats van geel?
Dan juichen we. Stilletjes. Inwendig.
En die dag voelt stiekem een beetje als een overwinning.
Seraya (39) is verpleegkundige in een perifeer ziekenhuis. In haar persoonlijke en nuchtere columns deelt ze elke 2 weken momenten van ontroering, herkenning en humor uit het zorgleven.![]()