Een patiënt gaat naar huis. Dat klinkt simpel, maar als verpleegkundige weet je dat dit een proces is. De arts is geweest. Medicatie is geregeld. De ontslagbrief is klaar. Dochter komt meneer om elf uur ophalen. Ik heb alles uitgelegd en vraag voor de zekerheid: “Heeft u nog vragen?” “Nee hoor.” Mooi.
Om vijf over elf staat meneer aangekleed naast zijn bed. Jas aan, tas in de hand. Zijn dochter is beneden een rolstoel gaan halen. “Zuster?” Ik draai me om. “Mag ik eigenlijk wel autorijden met deze medicijnen?”. Goede vraag. Ik zoek het op, overleg voor de zekerheid en kom terug met het antwoord. Inmiddels staat zijn dochter er ook. “En alcohol?”, vraagt zij. We bespreken alcohol. “En hoe zit het ook weer met die wond?”, vraagt meneer vervolgens. Ook een goede vraag. Ik leg nogmaals uit wat hij thuis in de gaten moet houden. “En douchen?” Douchen bespreken we ook.
Zijn jas gaat ondertussen weer uit. Zijn dochter gaat zitten. Ik begin te vermoeden dat elf uur een te optimistisch was. Het bijzondere is dat deze vragen gisteren ook beantwoord hadden kunnen worden. En dat zijn ze gelukkig ook, want in het ziekenhuis wordt tegenwoordig, liefst voor de opname al, gevraagd hoe iemand zijn thuissituatie is. En patiënten krijgen vooraf al meerdere folders over het aankomende herstel.
Maar blijkbaar gebeurt er iets zodra een patiënt zijn jas aantrekt bij ontslag. Alsof daarmee een luikje in het hoofd opengaat waarin alle vragen van de afgelopen vier dagen keurig zijn opgeslagen. “Ohja,” zegt de dochter, “hij slaapt thuis boven. Mag hij eigenlijk traplopen?” De jas ligt inmiddels weer op het bed. Ik moet er stiekem altijd een beetje om lachen. Niet om de vragen, want die zijn meestal heel logisch. Misschien is het juist wel logisch dat ze pas komen als iemand daadwerkelijk naar huis gaat. In een ziekenhuis ben je vooral bezig met beter worden. Pas met je tas in je hand denk je ineens: wacht eens even, hoe moet dit straks thuis?
Dus praten we over traplopen. En over de wond. En nog één keer over de medicijnen. Om twintig voor twaalf zit meneer dan eindelijk in de rolstoel. Ik geef hem een hand en wens hem succes thuis. “Dank je wel voor alles.” De dochter begint te rijden, maar stopt na twee meter. Meneer draait zich om. “Seraya, nog één ding…”. Natuurlijk. Zijn jas was tenslotte nog aan. “Dankjewel voor de goede zorgen. Je bent een fijne meid.”
Seraya (40) is verpleegkundige in een perifeer ziekenhuis. In haar persoonlijke en nuchtere columns deelt ze elke 2 weken momenten van ontroering, herkenning en humor uit het zorgleven.