Drie weken vakantie. Drie weken geen wekker om 05.45 uur, geen overdracht, geen piepers en vooral: drie weken lang niemand die mij tijdens mijn lunch vraagt of ik “heel even” ergens naar kan kijken.
Ik had mezelf voorgenomen om écht los te komen van het werk. Niet stiekem in de groepsapp kijken. Niet denken aan die ene patiënt die vlak voor mijn vakantie nog behoorlijk ziek was. Gewoon vrij. En dat lukte eigenlijk verrassend goed.
Er komt tijdens een vakantie altijd zo’n heerlijk moment waarop je niet meer precies weet welke dag het is. Dinsdag? Donderdag? Maakt niet uit. Het belangrijkste besluit van de dag is of je eerst koffie gaat drinken of eerst naar het bos.
Mijn biologische klok, die normaal feilloos weet dat er om 05.45 uur iets verschrikkelijks staat te gebeuren, gaf het na een paar dagen ook op. Ik sliep uit. Ik at ontbijt op tijden waarop ik normaal al minstens twee keer mijn handen had gedesinfecteerd. En als iemand iets van me wilde, kon ik rustig zeggen: “Straks.” Niemand werd daardoor acuut slecht.
Als verpleegkundige raak je er behoorlijk aan gewend dat dingen nú moeten. Een patiënt moet nú naar het toilet. Een infuus is nú klaar. De arts wil nú iets weten. Familie staat nú bij de balie. En terwijl je daarmee bezig bent, gaat je telefoon omdat iemand anders wil weten waar je bent.
Op vakantie bleek er een compleet andere wereld te bestaan. Een wereld waarin “straks” een volkomen acceptabel antwoord is.
En toen stond ik weer op de afdeling. Ik was nog geen tien minuten binnen toen een collega zei: “Fijn dat je er weer bent!” Dat voelde oprecht gezellig. Ongeveer drie minuten later vroeg iemand: “O ja, Seraya, als je straks tijd hebt, wil je dan even naar kamer acht kijken?” Daarna ging mijn telefoon.
Bij de koffie hoorde ik drie weken aan afdelingsnieuws in ongeveer zes minuten. Er was iemand ziek geweest. Iemand gaat beginnen aan een interne opleiding. Er was gedoe geweest met het rooster. Er was een nieuw protocol dat niemand helemaal begreep. Een arts-assistent die ik kende was ineens weg en er liep iemand rond van wie iedereen blijkbaar wist wie het was, behalve ik. “Dat is de nieuwe arts-assistent.”
Om 10.30 uur voelde het alsof ik nooit vakantie had gehad.
Het gekke is dat je na een paar weken vrij de eerste uren nét niet helemaal lekker in je werk zit. Niet genoeg om fouten te maken, maar wel genoeg om bij een apparaat dat je al honderden keren hebt gebruikt heel even te denken: waar zat die knop ook alweer? Of dat je je wachtwoord intypt en je computer meedogenloos zegt dat het fout is. Nog een keer. Fout. Account bijna geblokkeerd. Welkom terug, Seraya.
Ondertussen wist mijn collega precies welke patiënten waar lagen, wie er naar huis mocht en waar de bloeddrukmeter gebleven was. Ik liep er de eerste uren een beetje achteraan als een stagiaire die toevallig mijn uniform had aangetrokken.
Maar ergens na de lunch was het er ineens weer. Ik maakte een grapje met een patiënt, regelde iets met de arts en hielp onderweg een collega met een infuus. Niet meer nadenken over waar alles ligt of bewust schakelen tussen vier dingen tegelijk. Gewoon werken.
Aan het einde van mijn dienst dacht ik aan de afgelopen weken. Drie weken lang had ik geen haast gehad. Ik had boeken gelezen, lang ontbeten en soms letterlijk een uur niets gedaan. En binnen één dienst was ik alweer geïrriteerd omdat de computer niet snel genoeg opstartte.
Misschien moet ik iets meer van mijn vakantietempo meenemen naar de afdeling. Niet letterlijk natuurlijk, want ik denk niet dat mijn collega’s het waarderen als ik om 10.30 uur met een zonnebril op vraag waar het ontbijtbuffet is.
Maar dat woordje “straks” wil ik wel houden. Niet alles hoeft binnen dertig seconden. Niet iedere vraag is een spoedgeval. Soms kan iets gewoon even wachten. Dat ga ik deze keer echt proberen. Althans, dat dacht ik toen ik mijn spullen pakte om naar huis te gaan. Toen riep een collega vanuit de gang: “Seraya, voordat je gaat…”
Ik draaide me om. Natuurlijk deed ik dat. Sommige dingen veranderen zelfs na drie weken vakantie niet.
Seraya (40) is verpleegkundige in een perifeer ziekenhuis. In haar persoonlijke en nuchtere columns deelt ze elke 2 weken momenten van ontroering, herkenning en humor uit het zorgleven.