Om 07:58 uur neem ik me voor dat het vandaag anders gaat.
Vandaag ga ik namelijk alles direct rapporteren.
Niet aan het einde van de dienst. Niet tussendoor op een kladbriefje. Niet in mijn hoofd. Nee, gewoon zoals het bedoeld is. Na ieder contactmoment netjes het dossier bijwerken. Rustig. Professioneel. Georganiseerd.
Om 08:11 uur gaat die planning al de prullenbak in.
De eerste patiënt wil graag uitleg over zijn medicatie. De tweede patiënt heeft pijn. De derde wil weten hoe laat de arts komt. Vervolgens gaat de telefoon. Dan komt een collega met een vraag. Daarna blijkt dat de bloedafname niet is gelukt en ergens tussendoor staat een familiegesprek gepland.
Het dossier blijft ondertussen geduldig op mij wachten. Tenminste, dat denk ik.
Want dossiers zijn net huisdieren. Hoe langer je ze negeert, hoe meer aandacht ze later van je opeisen.
Rond 10:30 uur open ik voor het eerst mijn rapportagescherm. Vol goede moed begin ik aan een verslag.
“Cliënt gezien op kamer.” Verder kom ik niet.
Want precies op dat moment gaat mijn telefoon. Tegen lunchtijd heb ik zes onafgemaakte rapportages openstaan. Het systeem vraagt vriendelijk of ik mijn wijzigingen wil opslaan. Ik klik op “ja” alsof ik daarmee ook mijn leven op orde krijg.
Dat lukt niet. Na de lunch besluit ik streng voor mezelf te zijn. Geen uitstel meer. Ik open het dossier van een patiënt en begin te type
“Mevrouw maakt een…” Dan verschijnt er een collega naast me. “Heb jij toevallig gezien waar de saturatiemeter is?” Nee. Maar ik heb inmiddels wel een dossier waarin staat dat mevrouw een is. Dat lijkt me medisch gezien ook niet ideaal. Tegen drie uur ’s middags begint de achterstand een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. Ik zie overal nog openstaande notities. Ze kijken me verwijtend aan vanaf het scherm.
Ik weet precies wat ik nog moet rapporteren. Dat gesprek. Die wondcontrole. Die observatie. Dat telefoontje. Die familie. Dat overleg. En ergens in mijn achterhoofd klinkt de stem van iedere docent verpleegkunde die ik ooit heb gehad. “Als het niet gerapporteerd is, is het niet gebeurd.” Dat is een zorgwekkende gedachte.
Want volgens mijn dossier heb ik vandaag ongeveer drie dingen gedaan. In werkelijkheid voelt het alsof ik een kleine samenleving draaiende heb gehouden. Aan het einde van de middag ontstaat er altijd een bijzonder verschijnsel. Dan verandert iedere verpleegkundige ineens in een professioneel sneltypist. Overal hoor je toetsenborden ratelen. Collega’s kijken geconcentreerd naar hun scherm. Niemand zegt veel.
Iedereen probeert dezelfde race te winnen: de strijd tegen de klok. En tegen de overdracht. Want er bestaat geen grotere motivatie om rapportages af te maken dan de wetenschap dat de avonddienst elk moment binnen kan lopen. Dan begint de grote reconstructie. Hoe zat dat ook alweer? Was dat gesprek voor of na de wondzorg? Kwam die familie om twaalf uur of half één? Had meneer nou een pijnscore van drie of vier?
Gelukkig blijken verpleegkundigen over een indrukwekkend geheugen te beschikken. We onthouden medicatieschema’s, observaties, afspraken, allergieën, telefoongesprekken en complete familiegeschiedenissen. Maar onthouden waar we onze pen hebben gelaten? Dat blijft onmogelijk.
Om 14:47 uur staat eindelijk alles in het dossier. Tenminste, voor zover ik weet. Ik lees de laatste rapportage terug. Het ziet er professioneel uit. Overzichtelijk. Compleet. Alsof het geschreven is door iemand die de hele dag rustig achter een bureau heeft gezeten. Dat vind ik misschien nog wel het grappigste van ons vak. De rapportage laat zelden zien hoeveel hectiek eraan voorafging. Je leest niet terug hoeveel keer je werd onderbroken. Hoe vaak de telefoon ging. Hoeveel vragen collega’s stelden. Hoeveel onverwachte situaties er tussendoor kwamen. Het eindresultaat oogt altijd kalm. Netjes. Gecontroleerd.
Terwijl de werkelijkheid vaak meer lijkt op een aflevering van een medische spelshow. Om 16:58 uur sluit ik mijn computer af. Morgen ga ik het anders doen. Morgen rapporteer ik alles direct. Echt waar. Dat neem ik me iedere dienst opnieuw voor. En ergens vind ik dat ook wel mooi. Verpleegkundigen zijn misschien niet perfect georganiseerd.
Maar optimistisch?
Dat zijn we absoluut.
Seraya (40) is verpleegkundige in een perifeer ziekenhuis. In haar persoonlijke en nuchtere columns deelt ze ongeveer elke 2 weken momenten van ontroering, herkenning en humor uit het zorgleven.