Meest voorkomende medicatie: een overzicht

Als verpleegkundige kom je elke dag tientallen geneesmiddelen tegen — van bloeddrukverlagers tot insuline en van antidepressiva tot pijnmedicatie. Je hoeft niet alles uit je hoofd te kennen, maar het is wél belangrijk dat je begrijpt:

  • waarom iemand een bepaald middel gebruikt

  • welke werking je mag verwachten

  • welke bijwerkingen je moet herkennen

  • wat je moet observeren en rapporteren

  • wanneer je moet overleggen met een arts

Op deze pagina vind je een overzicht van de meest voorkomende medicatiegroepen, met korte, duidelijke uitleg die je direct helpt in de praktijk.

1. Antihypertensiva (bloeddrukverlagers)

Voorbeelden:
Metoprolol, amlodipine, lisinopril, losartan.

Waarvoor gebruikt?

  • hypertensie

  • hartfalen

  • hartritmestoornissen

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Controleer bloeddruk en pols (let op bradycardie bij metoprolol).

  • Observeer duizeligheid, moeheid en hypotensie.

  • Bij start of dosisverhoging extra alert op duizeligheid/valrisico.

  • Niet abrupt stoppen → risico op rebound-hypertensie.


2. Anticoagulantia (bloedverdunners)

Voorbeelden:
Acenocoumarol, fenprocoumon, DOAC’s (apixaban, rivaroxaban), aspirine.

Waarvoor gebruikt?

  • atriumfibrilleren

  • CVA/TIA preventie

  • trombose

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Let op tekenen van bloedingen (blauwe plekken, bloed in urine/ontlasting).

  • Controleer INR bij vitamine K-antagonisten.

  • Goede uitleg over therapietrouw (één dosis vergeten → risico op CVA).

  • Signalen van overdosering direct melden.


3. Antidiabetica & insuline

Voorbeelden:
Metformine, gliclazide, insuline kort/langwerkend.

Waarvoor gebruikt?

  • diabetes mellitus type 2 (orale medicatie)

  • type 1 en 2 (insuline)

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Controleer glucosewaarde (let op hypo’s <4 mmol/L).

  • Let op metformine: bij slechte nierfunctie → risico lactaatacidose.

  • Eetmomenten afstemmen op insulineschema.

  • Observeer dorst, moeheid, veel plassen → tekenen hyperglycemie.


4. Antibiotica

Voorbeelden:
Amoxicilline, doxycycline, ciprofloxacine, co-amoxiclav.

Waarvoor gebruikt?

  • bacteriële infecties (luchtwegen, urinewegen, huid, etc.)

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Let op allergieën (penicilline!).

  • Controleer effect: koorts, pols, ademhaling, algemeen welbevinden.

  • Bij breed-spectrum AB extra alert op diarree (denk aan C. diff).

  • Zorg voor volledige kuur (therapietrouw → resistentie voorkomen)

Voor meer informatie over antibiotica vanuit het Farmacotherapeutisch Kompas, klik je hier voor de link naar het FK.


5. Psychofarmaca

Voorbeelden:

  • Antidepressiva: citalopram, sertraline

  • Antipsychotica: haloperidol, olanzapine

  • Benzodiazepinen: oxazepam, temazepam

Waarvoor gebruikt?

  • depressie

  • angststoornissen

  • gedragsproblemen

  • slaapproblemen

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Let op sufheid, valrisico, veranderd gedrag.

  • Bij antipsychotica: observeer EPS (spierstijfheid, tremor).

  • Benzodiazepinen → verslavend, voorkeur alleen kortdurend.

  • Antidepressiva werken pas na 4–6 weken → uitleg aan patiënt.


6. Pijnmedicatie (analgetica)

Voorbeelden:
Paracetamol, NSAID’s (ibuprofen, diclofenac), opioïden (morfine, oxycodon, fentanyl).

Waarvoor gebruikt?

  • acute en chronische pijn

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Paracetamol → veilig, eerste keus.

  • NSAID’s → risico op maagklachten, nierproblemen, vochtretentie.

  • Opioïden: observeer ademhaling, alertheid, obstipatie!

  • Gebruik een pijnscore (NRS) vóór en ná toediening.


7. Anti-epileptica

Voorbeelden:
Levetiracetam, lamotrigine, valproaat, topiramaat, carbamazepine.

Waarvoor gebruikt?

  • epilepsie

  • stemmingsstoornissen (soms)

  • neuropathische pijn

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Let op stemmingsveranderingen (levetiracetam).

  • Controleer interacties (bijv. valproaat + lamotrigine).

  • Let op therapietrouw → doorbraakaanvallen voorkomen.

  • Niet plots stoppen.


8. Schildkliermedicatie

Voorbeelden:
Levothyroxine.

Waarvoor gebruikt?

  • hypothyreoïdie

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Eerste keuze is altijd nuchter, 30 min voor ontbijt.

  • Let op symptomen van overdosering (hartkloppingen, onrust).

  • Regelmatige TSH-controles.


9. Diuretica

Voorbeelden:
Furosemide, hydrochloorthiazide.

Waarvoor gebruikt?

  • hartfalen

  • oedeem

  • hypertensie

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Controleer vochtbalans, gewicht, oedeem.

  • Let op dehydratie, hypotensie.

  • Controleer kalium (risico: hypo-kaliëmie).

  • Zorg dat patiënt bij voorkeur in de ochtend inneemt (nachtelijk plassen voorkomen).


10. Maagzuurremmers (PPI’s)

Voorbeelden:
Omeprazol, pantoprazol.

Waarvoor gebruikt?

  • reflux

  • maagklachten

  • preventie bij gebruik van NSAID’s of corticosteroïden

Verpleegkundige aandachtspunten:

  • Klachtenverloop volgen: minder zuur/branden? minder pijn?

  • Let op langdurig gebruik → risico’s:

    • vitamine B12-tekort

    • magnesiumtekort

  • Afbouwen in overleg.


Verder lezen op eNurse

 

De verschillende toedieningsvormen van medicijnen

Medicatie kan op verschillende manieren toegediend worden. De meest bekende vorm is oraal, via de mond. Het geneesmiddel moet dan eerst de maag en darm door voordat het de optimale werking heeft. Wanneer medicatie geïnjecteerd wordt, werkt het doorgaans sneller. Een compleet overzicht van de verschillende vormen van toediening wordt hieronder opgesteld.

ToedieningsvormBetekenisOmschrijving
dermaal / transdermaalop de huid / door de huiddoor middel van een pleister (nicotine, fentanyl)
inhalatievia de luchtwegendoor verneveling of een zogenaamd ‘pufje’
intraveneus (iv)injectie in een aderdoor een infuusnaald dat in de bloedbaan is geplaatst (bijvoorbeeld op de hand of in de arm).
intramusculair (im)injectie in een spierdoor middel van een spuit met naald doorgaans in een grote spier, zoals de bilspier of beenspier. Vaccincaties worden ook we in de bovenarm gezet.
oraalvia de mond en slokdarmOpname via het maag/darmkanaal. In de vorm van een tablet, capsule, drank of poeder.
slijmvliezenvia slijmvliezenOog- en neusdruppels, verstuiving (mond- en neusspray)
subcutaan (sc)onderhuidse injectieEen korte naald waarbij de vloeistof onderhuids wordt ingebracht. Een bekend voorbeeld is insuline als behandeling bij diabetes mellitus.
sublinguaalonder de tongSpray of een tablet onder de tong voor een snelle werking via de slijmvliezen.
rectaalvia de anusOmzeilt de maag en heeft een snelle werking. Zetpil, klysma.