Laatst bijgewerkt mei 2026
Verpleegkundigen hoeven niet van ieder geneesmiddel precies te weten hoe het werkt op receptor- of celniveau. Wel is het belangrijk om te begrijpen waarom een patiënt een medicijn gebruikt, welke bijwerkingen kunnen optreden en wanneer overleg met een arts nodig is. Daarnaast speelt de verpleegkundige een belangrijke rol bij medicatieveiligheid, observatie en voorlichting. Het is belangrijk dat je begrijpt:
waarom iemand een bepaald middel gebruikt
welke werking je mag verwachten
welke bijwerkingen je moet herkennen
wat je moet observeren en rapporteren
wanneer je moet overleggen met een arts over een geneesmiddel
Op deze pagina vind je een overzicht van de meest voorkomende medicatiegroepen, met korte, duidelijke uitleg die je direct helpt in de praktijk.
1. Antihypertensiva (bloeddrukverlagers)
Voorbeelden:
Metoprolol, amlodipine, lisinopril, losartan.
Waarvoor gebruikt?
hypertensie
hartfalen
hartritmestoornissen
Verpleegkundige aandachtspunten:
Controleer bloeddruk en pols (let op bradycardie bij metoprolol).
Observeer duizeligheid, moeheid en hypotensie.
Bij start of dosisverhoging extra alert op duizeligheid/valrisico.
Niet abrupt stoppen → risico op rebound-hypertensie.
2. Anticoagulantia (bloedverdunners)
Voorbeelden:
Acenocoumarol, fenprocoumon, DOAC’s (apixaban, rivaroxaban), aspirine.
Waarvoor gebruikt?
atriumfibrilleren
CVA/TIA preventie
trombose
Verpleegkundige aandachtspunten:
Let op tekenen van bloedingen (blauwe plekken, bloed in urine/ontlasting).
Controleer INR bij vitamine K-antagonisten.
Goede uitleg over therapietrouw (één dosis vergeten → risico op CVA).
Signalen van overdosering direct melden.
3. Antidiabetica & insuline
Voorbeelden:
Metformine, gliclazide, insuline kort/langwerkend.
Waarvoor gebruikt?
diabetes mellitus type 2 (orale medicatie)
type 1 en 2 (insuline)
Verpleegkundige aandachtspunten:
Controleer glucosewaarde (let op hypo’s <4 mmol/L).
Let op metformine: bij slechte nierfunctie → risico lactaatacidose.
Eetmomenten afstemmen op insulineschema.
Observeer dorst, moeheid, veel plassen → tekenen hyperglycemie.
4. Antibiotica
Voorbeelden:
Amoxicilline, doxycycline, ciprofloxacine, co-amoxiclav.
Waarvoor gebruikt?
bacteriële infecties (luchtwegen, urinewegen, huid, etc.)
Verpleegkundige aandachtspunten:
Let op allergieën (penicilline!).
Controleer effect: koorts, pols, ademhaling, algemeen welbevinden.
Bij breed-spectrum AB extra alert op diarree (denk aan C. diff).
Zorg voor volledige kuur (therapietrouw → resistentie voorkomen)
Voor meer informatie over antibiotica vanuit het Farmacotherapeutisch Kompas, klik je hier voor de link naar het FK.
5. Psychofarmaca
Voorbeelden:
Antidepressiva: citalopram, sertraline
Antipsychotica: haloperidol, olanzapine
Benzodiazepinen: oxazepam, temazepam
Waarvoor gebruikt?
depressie
angststoornissen
gedragsproblemen
slaapproblemen
Verpleegkundige aandachtspunten:
Let op sufheid, valrisico, veranderd gedrag.
Bij antipsychotica: observeer EPS (spierstijfheid, tremor).
Benzodiazepinen → verslavend, voorkeur alleen kortdurend.
Antidepressiva werken pas na 4–6 weken → uitleg aan patiënt.
6. Pijnmedicatie (analgetica)
Voorbeelden:
Paracetamol, NSAID’s (ibuprofen, diclofenac), opioïden (morfine, oxycodon, fentanyl).
Waarvoor gebruikt?
acute en chronische pijn
Verpleegkundige aandachtspunten:
Paracetamol → veilig, eerste keus.
NSAID’s → risico op maagklachten, nierproblemen, vochtretentie.
Opioïden: observeer ademhaling, alertheid, obstipatie!
Gebruik een pijnscore (NRS) vóór en ná toediening.
7. Anti-epileptica
Voorbeelden:
Levetiracetam, lamotrigine, valproaat, topiramaat, carbamazepine.
Waarvoor gebruikt?
epilepsie
stemmingsstoornissen (soms)
neuropathische pijn
Verpleegkundige aandachtspunten:
Let op stemmingsveranderingen (levetiracetam).
Controleer interacties (bijv. valproaat + lamotrigine).
Let op therapietrouw → doorbraakaanvallen voorkomen.
Niet plots stoppen.
8. Schildkliermedicatie
Voorbeelden:
Levothyroxine.
Waarvoor gebruikt?
hypothyreoïdie
Verpleegkundige aandachtspunten:
Eerste keuze is altijd nuchter, 30 min voor ontbijt.
Let op symptomen van overdosering (hartkloppingen, onrust).
Regelmatige TSH-controles.
9. Diuretica
Voorbeelden:
Furosemide, hydrochloorthiazide.
Waarvoor gebruikt?
hartfalen
oedeem
hypertensie
Verpleegkundige aandachtspunten:
Controleer vochtbalans, gewicht, oedeem.
Let op dehydratie, hypotensie.
Controleer kalium (risico: hypo-kaliëmie).
Zorg dat patiënt bij voorkeur in de ochtend inneemt (nachtelijk plassen voorkomen).
10. Maagzuurremmers (PPI’s)
Voorbeelden:
Omeprazol, pantoprazol.
Waarvoor gebruikt?
reflux
maagklachten
preventie bij gebruik van NSAID’s of corticosteroïden
Verpleegkundige aandachtspunten:
Klachtenverloop volgen: minder zuur/branden? minder pijn?
Let op langdurig gebruik → risico’s:
vitamine B12-tekort
magnesiumtekort
Afbouwen in overleg.
Veelgemaakte fouten rondom medicatie
Medicatie is een belangrijk onderdeel van de dagelijkse zorg. Toch worden er in de praktijk regelmatig fouten gemaakt. Een veelvoorkomende fout is dat zorgverleners zich vooral richten op de naam van een medicijn, zonder goed te begrijpen waarom een patiënt het gebruikt. Juist de indicatie van een geneesmiddel geeft vaak belangrijke informatie over de gezondheidstoestand van de patiënt.
Ook worden bijwerkingen soms niet direct herkend. Duizeligheid, sufheid, vallen, verwardheid of maagklachten kunnen bijvoorbeeld veroorzaakt worden door medicatie. Vooral bij ouderen die meerdere geneesmiddelen gebruiken, is het belangrijk om hier alert op te zijn.
Daarnaast wordt het belang van therapietrouw soms onderschat. Wanneer een patiënt medicatie niet volgens het voorschrift gebruikt, kan dit leiden tot onvoldoende effect of juist tot gezondheidsrisico’s. Denk bijvoorbeeld aan een patiënt die regelmatig bloedverdunners, anti-epileptica of insuline overslaat.
Tot slot is het belangrijk om veranderingen goed te observeren en te rapporteren. Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol bij het signaleren van bijwerkingen, problemen met medicatiegebruik en veranderingen in de gezondheidstoestand van patiënten.