Het gebeurde op dinsdag. Altijd op een dinsdag, lijkt het wel.
Ik stond net bij de medicatiekar toen het geluid door merg en been ging.
De reanimatieknop.
Kamer 12.
Adrenaline schiet door m’n lijf. In een paar seconden weet mijn brein precies wat te doen. De kar moet mee. De zuurstof. Waar is iedereen? Waar is de arts?
Ik ben niet bang. Niet echt. Maar ik voel alles. Het rennen, het klaarleggen, het denken in protocollen terwijl mijn handen sneller werken dan mijn hoofd.
En dan… niets.
Letterlijk: niets.
De patiënt kijkt ons verbaasd aan. Ademhaling normaal. Geen ritmestoornis. Geen bewustzijnsverlies. Alleen een vinger die per ongeluk op het rode knopje rustte.
De arts zucht. Iemand mompelt iets over “betere plaatsing van het bedpaneel”.
Ik wil lachen, maar het lukt niet.
Want terwijl ik mijn hartslag probeer te kalmeren, weet ik: dit is hoe het is.
We trainen. We oefenen. En als het écht gebeurt, sta je daar, met je collega’s. In die paar seconden ben je één team, één taak.
Een kwartier later vraag ik een leerling wat ze ervan vond.
“Spannend,” zegt ze. “Maar ook… indrukwekkend. Hoe snel jullie handelen.”
Ik glimlach en knik.
“Dat komt omdat we al duizend keer geoefend hebben,” zeg ik.
Maar ik denk: en omdat we weten dat het er soms echt toe doet.
Seraya (39) is verpleegkundige in een perifeer ziekenhuis. In haar persoonlijke en nuchtere columns deelt ze elke 2 weken momenten van ontroering, herkenning en humor uit het zorgleven.![]()