In de zorg kom je dagelijks medische terminologie, termen, afkortingen en begrippen tegen. Sommige hoor je bijna elke dienst, andere juist alleen in het dossier of in gesprekken met artsen. Het is belangrijk om deze termen goed te begrijpen en te vertalen om een goede zorg te kunnen verlenen aan patiënten.
Deze pagina biedt een duidelijk en praktijkgericht overzicht, speciaal voor verpleegkundigen en verzorgenden. Geen ingewikkelde definities, maar korte, begrijpelijke uitleg die direct toepasbaar is in je werk.
Deze pagina maakt deel uit van de kennissectie Zorgkennis op eNurse.
A
Abces: ophoping van pus in een holte.
Abdomen: buik. Bijvoorbeeld een onderzoek CT-abdomen is een CT scan van de buik.
Acuut: plotseling ontstaan, vaak met risico op snelle verslechtering.
Adenoom: goedaardig gezwel.
ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen (wassen, aankleden, eten, mobiliteit).
Anamnese: het gesprek waarin je informatie verzamelt over klachten, voorgeschiedenis en omstandigheden.
Anesthesie: verdoving of gevoelloosheid. Belangrijk bij bijvoorbeeld een operatie.
Ausculteren: met een stethoscoop luisteren naar geluiden in het lichaam.
B
Benigne: goedaardig.
Bioptie/biopsie: een stukje weefsel wordt verwijderd om te onderzoeken en zo een diagnose te kunnen stellen.
Bloeddruk: de druk van het bloed in de bloedvaten; systolisch/diastolisch (bijv. 120/80 mmHg).
Bradycardie? Bradycardie betekent een lage hartfrequentie.
Bronchitis: een ontsteking van de luchtwegen.
BSE (labwaarde): bloedbezinking, een ontstekingswaarde. Hoog = mogelijk ontsteking.
Wat betekenen deze medische termen?
C
Comorbiditeit: meerdere aandoeningen die tegelijkertijd aanwezig zijn.
Congenitaal: aangeboren.
CT-scan: Een röntgenlaborant maakt met de CT-scanner (donutvormig) in korte tijd veel foto’s van de doorsnede van (een deel) van het lichaam van de patiënt. Verschil tussen MRI en CT.
CVA: een hersenbloeding of infarct, ook wel beroerte genoemd.
Cyanose: blauwverkleuring van huid of lippen door zuurstoftekort.
D
Dehydratie: Uitdroging door te weinig vochtinname of vochtverlies.
Delier: Een delier (delirium) is een acute en plotselinge verandering in het bewustzijn en de cognitieve functies van een persoon. Een meetinstrument om de mate van delirium te meten is de DOS score.
Dialyse: nierfunctievervangende therapie. Er bestaan twee vormen: hemodialyse (via een shunt) en peritoneale dialyse (via het buikvlies).
Differentiaal diagnose: verschillende mogelijkheden van diagnosen.
Doppleronderzoek: Door middel van een echo wordt de kwaliteit van bloedvaten onderzocht.
Dotteren: De cardioloog heft vernauwingen in de bloedvaten op tijdens een dotterbehandeling. Soms is het plaatsen van een stent nodig, om het bloedvat open te houden.
Draineren: afvoeren van vloeistof uit bijvoorbeeld een wond of cyste. Gebeurt vaak middels een drain.
E
ECG: Ook wel hartfilmpje genoemd. Via verschillende kanten wordt de elektrische geleiding van het hart bekeken. De arts (cardioloog) kan op een ECG een hartritmestoornis herkennen.
Endoscopie: intern onderzoek via een flexibele buis
ERCP: onderzoek van ongeveer een uur waarbij de arts door middel van een endoscoop (flexibele slang) de galwegen en de afvoergang van de alvleesklier (pancreas) kan bekijken. Bij een ERCP kan de arts tevens een kleine ingreep uitvoeren, zoals het verwijderen van een galsteen. Na een ERCP is het belangrijk om niet direct te drinken en eten en dit rustig uit te breiden volgens protocol. Een ERCP gebeurt onder een roesje en zelden onder algehele narcose.
EWS/MEWS: Early Warning Score; systeem om achteruitgang vroeg te herkennen.
Extramurale zorg: zorg die zich niet “binnen de muren” van een instelling afspeelt, zoals thuiszorg.
F
Faeces: ontlasting
G
Gastroscopie: onderzoek waarbij de arts met een endoscoop (flexibele slang) de mondholte, keel, slokdarm, maag en twaalfvingerige darm kan bekijken.
Glucose (labwaarde): Bloedsuiker. Belangrijk bij diabetes. Normaal: 4–7 mmol/L.
GGZ: Geestelijke Gezondheidszorg
H
Hypo: Te weinig, te laag.
Hyper: Te veel, te hoog.
Hypoglycemie: een te lage bloedsuiker (minder dan 4.0 mmol/L), ook wel ‘hypo’ genoemd. Hierop moet direct actie worden ondernomen door middel van het nemen van glucose (dextro tablet, ranja, siroop). Wanneer de patiënt buiten bewustzijn is moet intraveneus glucose toegediend worden. Klachten van een hypo zijn: extreme honger, wazig zicht, hoofdpijn, beven, prikkelbaar.
Hyperglycemie: een te hoge bloedsuikerspiegel (meer dan 10.0 mmol/L), ook wel ‘hyper’ genoemd. Actie ondernemen is belangrijk, maar is niet zo acuut als bij een te lage bloedsuikerspiegel. Klachten van een hyperglycemie zijn: veel en frequent plassen, veel dorst, droge mond, gewichtsverlies. Uiteindelijk kan een hyperglycemie een keto-acidose (verzuring van het bloed) veroorzaken en tot de dood leiden.
Hyponatriemie: Te laag natriumgehalte in het bloed (kan leiden tot verwardheid en sufheid).
Hypertensie: hoge bloeddruk.
Hypotensie: lage bloeddruk.
Medische termen beginnend met de letter I
Incisie: insnijding of snede.
Infectiepreventie: voorkomen en beheersen van infecties.
Intoxicatie: vergiftiging.
Intraveneus: in de ader.
Intramusculair: in de spier.
Wat is Intramurale zorg: zorg die gedurende een onafgebroken verblijf van meer dan 24 uur geboden wordt “binnen de muren” van een instelling. Zoals een ziekenhuis, verzorgingshuis of een instelling voor verstandelijk gehandicapten.
L
Lactaat: Melkzuur in het bloed; kan verhoogd zijn bij sepsis of slechte doorbloeding.
M
Malaise: algemeen onwel voelen. Vaak omschreven als algehele malaise.
Maligniteit: kwaadaardig, oftewel kanker.
Metastase: uitzaaiing.
Mobiliseren: Patiënt in beweging laten komen: opstaan, lopen, actief zitten.
Morbus: ziekte. Vaak afgekort tot M. Bijvoorbeeld: Morbus Graves, afgekort tot M. Graves.
Myocardinfarct: hartaanval, zuurstoftekort in het hart.
MRI-scan: Door middel van niet-schadelijke elektromagnetische straling, maakt een laborant met de MRI-scanner (lange buis waar de patiënt in ligt) een reeks foto’s van de doorsnede van (een deel van) het lichaam. Verschil tussen MRI en CT.
N
Nierfalen: het niet voldoende werken van de nieren.
O
Oedeem: Vochtophoping in weefsels, zichtbaar als zwelling.
P
Palliatieve fase: Zorg gericht op kwaliteit van leven bij ongeneeslijke ziekte.
Palpatie: betasten of voelen. Bijvoorbeeld: het palperen van de lever.
PET-CT: (PET-scan) beeldvormend onderzoek met radioactieve stof om eventuele activiteit (ontsteking of iets kwaadaardigs) in het lichaam vast te kunnen stellen.
Prognose: het verwachte verloop van de ziekte of aandoening.
R
Respiratoir: Alles wat met de ademhaling te maken heeft.
Medische termen die beginnen met de letter S
Saturatie: maatstaf voor de hoeveelheid zuurstof die aan het Hb in de rode bloedcellen in de arteriën of slagaders gebonden is. Wordt gemeten in procenten. Normaal: 95–100%. Ligt bij COPD patiënten lager.
SBAR: Communicatiemethode: Situation, Background, Assessment, Recommendation.
Sepsis: bloedvergiftiging, levensbedreigende infectie.
Shunt: toegang tot de bloedbaan de patiënt (meestal op de onderarm) om te kunnen dialyseren. Een slagader en ader zijn op elkaar aangesloten om zo de snelle bloeddoorstroom aan te kunnen. Dit wordt de shunt genoemd.
Somatisch: lichamelijk.
Subcutaan: onder de huid. Bijvoorbeeld een subcutane injectie bij insuline.
T
Tachycardie: hoge hartfrequentie
Tensie: bloeddruk, gemeten in mmHg.
Terminaal: laatste levensfase of stervensfase.
TIA: transient Ischemic Attack, voorbijgaande beroerte.
Trombose: bloedprop in een bloedvat.
V
Vitale functies: Bewustzijn, ademhaling, hartslag, bloeddruk, temperatuur.
X
X-thorax: Röntgenfoto van de thorax.

Waarom dit overzicht handig is voor verpleegkundigen
je begrijpt sneller wat artsen en collega’s bedoelen met medische terminologie
je leest dossiers en overdrachten vlotter
je verbetert je klinisch redeneren door betere begripsvorming
je kunt patiënten/cliënten eenvoudiger en duidelijker uitleg geven
Verder leren?
Bekijk ook: