Het is half acht ’s ochtends als ik net een slok koffie neem en de arts-assistent naar me toeloopt. “Seraya,” zegt hij vriendelijk, “kan jij even bij kamer 8 bloed prikken? De stagiair durft het niet en hij zit al vijf minuten te wiebelen met die naald.”
Ik kijk naar mijn koffie. Dan naar mijn overvolle ochtendlijst. En dan naar mijn collega Mirjam, die met opgetrokken wenkbrauwen meeluistert. We zeggen niets, maar we weten allebei hoe het zit: ik ben die ene collega. Degene die kan prikken. Altijd.
Begrijp me niet verkeerd: ik ben trots op mijn skills. Ik vind het fijn om een infuus in één keer te plaatsen, zeker als een patiënt al drie keer geprikt is en bijna wantrouwend kijkt naar je naald. Maar het heeft ook een keerzijde. Want ‘even’ prikken betekent: altijd jij.
Er is een ongeschreven regel op onze afdeling: als het lastig is, vraagt men Seraya. Soms loop ik letterlijk van kamer naar kamer, als een soort mobiele vaatlijnexpert, terwijl anderen rustig hun administratie doen.
Van de week vroeg een stagiaire: “Hoe weet je waar je moet prikken?”
Ik antwoordde droog: “Er zit een klein prikkompas in mijn handpalm.”
Ze keek me serieus aan.
“Echt?”
We moesten allebei lachen. Dat was fijn.
Misschien moet ik gewoon een shirt laten bedrukken:
Kan jij even prikken? Nee, ik ben vrij vandaag.
Maar ja, dan zou ik ‘m waarschijnlijk toch aantrekken naar werk.
Seraya (39) is verpleegkundige in een perifeer ziekenhuis. In haar persoonlijke en nuchtere columns deelt ze elke 2 weken momenten van ontroering, herkenning en humor uit het zorgleven.![]()