Als verpleegkundige kom je dagelijks hetzelfde soort medicatie tegen: de bloeddrukverlagers, de diabetesmedicatie, de bloedverdunners…
Je hoort de namen zo vaak, dat je bijna vergeet hoe belangrijk het is om te weten waarom iemand deze middelen gebruikt én waar je als verpleegkundige op moet letten.
In dit artikel zetten we de 10 meest voorkomende medicatiegroepen (gipdatabank) in willekeurige volgorde voor je op een rij — met korte, helder uitgelegde aandachtspunten die je direct helpen in de praktijk.
1. Metoprolol (bètablokkers)
Ook bekend als: Selokeen
Waarvoor?
hoge bloeddruk
hartkloppingen / hartritmestoornissen
soms bij angstklachten
Let op:
lage pols
duizeligheid, hypotensie
valrisico bij start of dosiswijziging
2. Salbutamol
Bekend als: Ventolin
Waarvoor?
benauwdheid bij astma
COPD-exacerbatie
acute bronchospasmen
soms bij inhalatieproblemen tijdens infecties
Let op als verpleegkundige:
Tachycardie en trillen zijn normale bijwerkingen
Saturatie, ademhalingsfrequentie en dyspneu monitoren vóór en na toediening
Check of inhalatietechniek correct is (vooral bij ouderen of cognitieve problemen)
Bij verneveling → alert op onrust of snelle pols
Let op overgebruik (“puffer te vaak nodig” → verslechtering astma/COPD)
3. Paracetamol
Waarvoor?
pijn
koorts
Let op:
Veilig eerste-keus middel (voor vrijwel iedereen geschikt)
Check totaal mg per 24 uur → maximaal 4000 mg voor volwassenen
Bij ouderen of patiënten met leverziekte → lagere maximale dosering (vaak max 3000 mg, afhankelijk van beleid)
Altijd letten op leverfunctieproblemen bij langdurig gebruik
4. Omeprazol / Pantoprazol (PPI’s)
Ook bekend als: Losec Mups, Pantozol
Waarvoor?
maagklachten
preventie bij NSAID-gebruik
Let op:
Verpleegkundige aandachtspunten:
Klachtenverloop volgen: minder zuur/branden? minder pijn?
Let op langdurig gebruik → risico’s:
vitamine B12-tekort
magnesiumtekort
Afbouwen in overleg.
5. Acenocoumarol / DOAC’s (bloedverdunners)
Ook bekend als: Sintrom
Waarvoor?
atriumfibrilleren
trombose
preventie CVA/TIA
Let op:
tekenen van bloedingen: blauwe plekken, bloed in de urine/ontlasting, neusbloedingen
therapietrouwheid is erg belangrijk
INR-waarde controleren → te hoog = bloedingsrisico, te laag = tromboserisico
- Patiënt mag nooit zelf dosering aanpassen → trombosedienst beslist
6. Furosemide (diuretica)
Ook bekend als: Lasix
Waarvoor?
oedeem
hartfalen
Let op:
Controleer vochtbalans, gewicht, oedeem.
Let op dehydratie, hypotensie.
Controleer kalium (risico: hypo-kaliëmie).
Zorg dat patiënt bij voorkeur in de ochtend inneemt (nachtelijk plassen voorkomen).
7. Macrogol (laxeermiddel)
Ook bekend als: Movicolon, Pleinvue, Colofort, Moviprep
Waarvoor?
obstipatie
preventie obstipatie bij opioïden
reguleren van ontlastingspatroon bij ouderen
Let op:
let op voldoende vochtinname
effect meestal binnen 1–2 dagen
observeer ontlasting: frequentie, consistentie (Bristol Stool Chart)
bij langdurig gebruik → arts evaluatie (onderliggende oorzaak?)
8. Ibuprofen / Diclofenac (NSAID’s)
Andere naam: Advil / Voltaren
Waarvoor?
pijn
ontsteking
Let op:
maagklachten
nierfunctie
vochtretentie
vermijden bij hartfalen
9. Insuline (kort/langwerkend)
Ook bekend als:
Waarvoor?
diabetes type 1 en 2
Let op:
risico op hypo’s
eetmomenten afstemmen
wisselen van injectieplaatsen
10. Antidepressiva (SSRI’s: citalopram/sertraline)
Waarvoor?
depressie
angststoornissen
Let op:
effect pas na 4–6 weken
misselijkheid in de eerste weken
monitor suïcidaliteit bij jongeren en opstartfase
Waarom is deze top 10 zo handig?
Omdat dit de middelen zijn die je in vrijwel elke dienst voorbij ziet komen. Of je nu in de thuiszorg werkt, in een verpleeghuis of op een afdeling interne geneeskunde: deze medicijnen liggen standaard in de karren, in de weekdozen en op het nachtkastje. Door precies te weten wat je moet observeren en rapporteren, werk je veiliger én voel je je zekerder. Dit is de basis waar je elke dag op terugvalt.