Oefenen verpleegkundig rekenen – 2

Niet iedere verpleegkundige (student) is goed in medisch en verpleegkundig rekenen. Toch is het belangrijk om af en toe te oefenen. Je kunt in een situatie terecht komen waarin je snel iets moet berekenen. Verpleegkundig rekenen bestaat uit verschillende modules: verdunnen, oplossen, infusie, gassen (zuurstof), toedienen en vochtbalans.

Hieronder kun je weer oefenen met nieuwe oefenopgaven. De antwoorden vind je onderaan de pagina.

Vragen

  1. De arts schrijft voor een verwarde en onrustige patiënte 2,5 mg Haldol i.m. injectie voor. Het medicijn is in voorraad in ampullen van 10 mg per 2 mL. Hoeveel moet je optrekken voor de juiste dosering?
  2. Meneer Jansen moet 5 keer per dag zijn Parkinson medicijn Levodopa krijgen, waarvan vier keer 375 mg en voor de nacht naast de gewone dosering nog eens 250 mg extra. De medicatie worden geleverd in tabletten van 125 mg. Hoeveel tabletten moet meneer Jansen iedere dag krijgen?
  3. Mevrouw Paan heeft een te hoge bloeddruk en zij krijgt hiervoor het medicijn Metoprolol. De dosering is 100 mg over 24 uur. Dit moet verdeeld over 2 gelijke doses gegeven worden. In de voorraad heb je tabletten van 0,1g. Hoeveel tabletten moet mevrouw Paan per keer nemen?
  4. Meneer Walder heeft een lage bloeddruk. Je licht de arts in en deze geeft jou de opdracht om meneer Walder snel een halve liter NaCl 0,9% intraveneus toe te dienen. Gelukkig heeft meneer Walder al een intraveneuze toegang. Je sluit het infuus aan en hangt een zak NaCl 0,9% van 500cc aan. Op welke stand moet je de infuuspomp zetten?
  5. Je patiënt weegt 67kg. Voor de operatie moet hij bloedverdunner X subcutaan geïnjecteerd krijgen. Hij moet 86 IE per kg lichaamsgewicht toegediend krijgen. Bloedverdunner X komt in ampullen van 2000IE/mL. Hoeveel mL moet je optrekken om de juiste dosering voor je patiënt te verkrijgen? Je mag de uitkomst afronden op 1 decimaal achter de komma.

Antwoorden

  1. Je hebt een ampul van 10 mg in 2 mL.
    10 mg / 10 = 1 mg. Dus dan geldt ook: 2 mL / 10 = 0,2 mL.
    Je wilt uiteindelijk naar 2,5mg.
    1 mg x 2,5 = 2,5 mg. Dus dan geldt ook: 0,2 x 2,5 = 0,5 mL.
    Je trekt dus 0,5 mL op uit de ampul voor de juiste dosering.
  2. Meneer Jansen krijgt dus 5 x 375 mg = 1875 mg Levodopa.
    Daarnaast krijgt dhr. nog extra 250 mg voor de nacht. In totaal is dat 1875 + 250 = 2125 mg.
    De medicatie wordt geleverd in doseringen van 125 mg. per tablet.
    De som wordt dan 2125 / 125 = 17 tabletten per dag.
  3. Over de dag verdeeld krijgt mevrouw Paan 100 mg verdeeld in 2 doses. Dat betekent dat zij per keer 100 mg / 2 = 50 mg moet krijgen.
    De tabletten zijn er in 0,1 g. Dat is omgerekend naar mg (milligram) 100 mg (want 1 gram = 1000 milligram).
    Dat betekent dat mevrouw Paan per keer 50 / 100 = 0,5 tablet, oftewel een halve tablet moet nemen.
  4. Verzamel de informatie die je nodig hebt voor het antwoord op de vraag ‘op welke stand moet de infuuspomp?’. Daarvoor moet je weten hoeveel vloeistof er in hoeveel tijd in moet lopen. Je kunt de pomp instellen op het aantal mL per uur, oftewel in 60 minuten. Dat is in dit geval een halve liter, oftwel 500mL.
    Bij deze vraag moet er 500mL in 30 minuten inlopen.
    Wanneer je de 500mL in 1 uur (60 minuten) in zou moeten laten lopen, zou je de pomp op stand 500 zetten.
    Nu moet dat dubbel zo snel, namelijk in een half uur. Je verdubbelt de snelheid. Dat wordt 1000mL per uur.
    Je stelt de pomp dus in op 1000mL/uur. (Niet alle pompen kunnen deze snelheid in de praktijk aan. Meestal wordt stand 999mL/uur gebruikt.)
  5. Eerst wil je weten hoeveel eenheden je patiënt toegediend moet krijgen.
    67 kg x 86 IE = 5762 IE in totaal.
    In 1 mL medicatie zit 2000 IE. Je hebt 5762 eenheden nodig.
    Je deelt het aantal eenheden door hoeveel er in 1 mL zit.
    5762 IE / 2000 IE = 2,881 mL.
    Afronden tot 1 decimaal achter de komma betekent dat je moet afronden naar boven: 2,881 wordt 2,9 mL.
    Je moet dus 2,9 mL optrekken van bloedverdunner X.