Oefenencasus 1

Niet iedere verpleegkundige (student) is goed in medisch en verpleegkundig rekenen. Toch is het belangrijk om af en toe te oefenen. Je kunt in een situatie terecht komen waarin je snel iets moet berekenen. Verpleegkundig rekenen bestaat uit verschillende modules: verdunnen, oplossen, infusie, gassen (zuurstof), toedienen en vochtbalans.

Hieronder kun je weer oefenen met nieuwe oefenopgaven. De antwoorden vind je onderaan de pagina.

Vragen

  1. Mevrouw den Burger ligt in het ziekenhuis opgenomen op de verpleegafdeling Interne Geneeskunde en voelt zich de laatste dagen wat benauwd. Zij krijgt via verschillende manieren vocht toegediend en de arts vindt het belangrijk om te weten hoe haar vochtbalans eruit ziet. Er loopt een continue NaCl 0,9% infuus van 1 liter per 24 uur, daarnaast krijgt zij 6x daags een portie sondevoeding van 250cc via de neusmaagsonde. Mevrouw denk Burger heeft 2 glazen water a 175mL opgedronken. In de dagdienst heeft je collega de catheterzak geleegd: 1560mL. Jij haalt nog eens 840cc uit de catheterzak. Maak de vochtbalans op van de afgelopen 24 uur. Hoeveel positief of negatief is de vochtbalans van mevrouw den Burger?
    A: 450 mL positief
    B: 720 mL negatief
    C: 1040 mL negatief
    D: 5250mL positief

2. Je moet voor patiënt 0,5 mg morfine opzuigen. Je hebt een ampul met ‘morfine 2 mg / mL’. Hoeveel mL moet je uit de ampul opzuigen voor de juiste hoeveelheid morfine?

3. De dokter vraagt je om meneer Ozul in een half uur tijd een kwart liter NaCl 0,9% infuus te geven. Op welke stand mL/uur zet je de infuuspomp?

4. Mevrouw Jansen gebruikt schildkliermedicatie. Zij moet 5 dagen in de week 112,5 mcg levothyroxine nemen en 2 dagen in de week 137,5 mcg voor juiste schildklierwaarde in het bloed. Daarvoor heeft zij tabletten van 112,5 mcg en tabletten van 25 mcg. Hoeveel tabletten levothyroxine neemt mevrouw Jansen per week?

5. Mevrouw Larie is ernstig ziek en houdt teveel vocht vast. Zij heeft een catheter voor de urine en intraveneuze toegang voor infusie, waar geen continue infuus overheen loopt. De arts spreekt een 2/3 uit = in vochtbeleid af. Dat betekent dat je iedere 3 uur moet kijken wat mevrouw heeft geplast via de catheter en de intake daar vanaf trekken. Van de overgebleven hoeveelheid moet je tweederde deel intake terug geven. Het liefst in de vorm van orale intake (drinken), maar als dat niet kan, moet zij dat in de 3 uur die volgen via het infuus krijgen. Mevrouw Larie heeft van 12:00 uur tot 15:00 uur 750 mL geplast en 150 mL gedronken. Hoeveel moet zij de komende 3 uur drinken?

Antwoorden

  1. Ten eerste lees je dat mevrouw den Burger wat benauwd is sinds een aantal dagen. Dat hoeft absoluut niets met de vochthuishouding te maken te hebben, maar het kán wel betekenen dat ze te veel vocht vasthoudt. Je maakt de vochtbalans op door alle input (wat is er in gegaan) en alle output (wat is er uit gegaan) naast elkaar te zetten. Gebruik daarvoor dezelfde eenheid. In dit geval is mL een handige eenheid.
    Intake:
    NaCl 0,9% infuus, afgelopen 24 uur: 1 liter = 1000mL.
    Sondevoeding, 250cc = 250mL x 6 porties = 1500mL.
    Water 175mL x 2 = 350mL.
    Totaal: 1000+1500+350 = 2850 mL.
    Output:
    Urine via catheter = 1560 mL
    Urine via catheter = 840 cc = 840 mL.
    Totaal: 1560+840 = 2400 mL.
    Er is dus 2850 in en 2400 uit in de afgelopen 24 uur. Mevrouw heeft dus 2850 – 2400 = 450 mL vocht niet kwijt geraakt. Je zou kunnen zeggen (ezelsbruggetje) dat ze dat erbij heeft qua gewicht, want ze is die 450mL niet kwijt geraakt. De vochtbalans is daarom 450 mL positief.
  2. Je hebt een ampul van ‘morfine 2 mg / mL’. Er zit dus per mL dat je opzuigt 2 mg morfine in de vloeistof. Jij hebt echter maar een halve mg morfine nodig.
    Je kunt het in stapjes doen. Wanneer je 1 mg morfine nodig zou hebben, deel je dus 2 door 2, want 2 gedeeld door 2 is 1. Je deelt daardoor ook de 1 mL door 2, dus 1 gedeeld door 2 is 0,5. Je bent er nog niet want je hebt nu 1 mg morfine en je wilt een halve mL (0,5). Je deelt nu 1 door 2, want dat is 0,5. Daardoor deel je de halve mL weer door 2 en dat is 0,25. Je hebt dus 0,25 mL morfine nodig, want daarin zit precies 0,5 mg morfine.
    Om de berekening met een kruistabel op te lossen, doe je het als volgt: zet in een kruistabel links bovenin 2 (mg) en daaronder 1 (mL). Rechts bovenin de tabel zet je 0,5 (mg, dat je eigenlijk wilt weten). Links onderin is nu nog leeg en die ga je berekenen. Daarvoor ga je kruislinks rekenen. Dus: 0,5 x 1 / 2 (0,5 maal 1 gedeeld door 2) = 0,25. Je hebt dus 0,25 mL morfine nodig, want daarin zit precies 0,5 mg.
  3. Er wordt gevraagd hoeveel mL/uur de pomp moet lopen. Je wilt in totaal een kwart liter = 250mL in een half uur geven. Dat moet je dus eerst omrekenen naar hoeveel dat per uur is, aangezien de pomp per uur loopt. 250mL is een half uur is 500mL per uur. Daarom zet je de pomp op stand 500mL per uur. De infuuszak van 250mL zal er binnen een half uur in zitten.
  4. Op de dagen dat mevrouw Jansen 112,5 mcg gebruikt, hoeft zij maar 1 tablet te slikken. Op de 2 dagen dat zij 137,5 mcg moet nemen, slikt zij 1 tablet van 112,5 mcg en 1 tablet van 25 mcg (want 112,5 + 25 = 137,5 mcg). Dat betekent dus 5 (dagen) x 1 (tablet) = 5. Plus 2 (dagen) x 2 (tabletten) = 4. 5 + 4 = 9 tabletten per week.
  5. In totaal is er 750mL uit gegaan. Er is 150mL in gegaan. Dat is 750 – 150 = 600 mL. Tweederde daarvan moet zij weer drinken. Dat betekent dat zij 400mL moet drinken.