Onderzoeken

De meest voorkomende onderzoeken in de gezondheidszorg.

A

Arthroscopie: kijkoperatie waarbij de chirurg in het gewricht kijkt, meestal de knie.

B

Bloedonderzoek: Door het afnemen van bloed uit een ader van de patiënt, kan het bloed beoordeeld worden en kunnen laboratoriumwaardes worden beoordeeld.

Bronchoscopie: Door middel van een scoop (flexibele slang) worden de bronchiën (luchtwegen) van de patiënt bekeken. De bronchoscoop wordt ingebracht via de mond, gaat langs de stembanden en komt zo in de luchtpijp. Er kan eventueel direct een stukje weefsel worden afgenomen. De patiënt neemt daarvoor plaats in een ligstoel en krijgt meestal een roesje.

C

Coloscopie: onderzoek waarbij de (een deel van) de dikke darm van binnen bekeken wordt door middel van een scoop (slang met camera). De arts kan eventueel een biopt (stukje weefsel) wegnemen om te laten onderzoeken. De patiënt ligt bij het onderzoek op de linker zijde.Voor het onderzoek moet de patiënt vaak 24 uur van tevoren nuchter zijn en laxeren om de darmen ‘schoon’ te maken.

CT-scan: Een röntgenlaborant maakt met de CT-scanner (donutvormig) in korte tijd veel foto’s van de doorsnede van (een deel) van het lichaam van de patiënt. Soms is er contrastvloeistof nodig om organen goed te kunnen zien op de scan. Deze vloeistof moet de patiënt opdrinken of hij/zij krijgt de vloeistof via een infuus toegediend. Wat is het verschil tussen een MRI en een CT scan?

D

Doppleronderzoek: Door middel van een echo wordt de kwaliteit van bloedvaten onderzocht.

Dotteren: De cardioloog heft vernauwingen in de bloedvaten op tijdens een dotterbehandeling. Soms is het plaatsen van een stent nodig, om het bloedvat open te houden.

E

ECG: Ook wel hartfilmpje genoemd. Door middel van elektroden op het lichaam van de patiënt, wordt een grafische weergave gemaakt van de electrische hartactiviteit. De arts kan op een ECG een hartritmestoornis herkennen. Het maken van een ECG kost een paar minuten tijd en doet geen pijn.

ERCP: onderzoek van ongeveer een uur waarbij de arts door middel van een endoscoop (flexibele slang) de galwegen en de afvoergang van de alvleesklier (pancreas) kan bekijken. Bij een ERCP kan de arts tevens een kleine ingreep uitvoeren, zoals het verwijderen van een galsteen. Na een ERCP is het belangrijk om niet direct te drinken en eten en dit rustig uit te breiden volgens protocol. Een ERCP gebeurt onder een roesje en zelden onder algehele narcose.

G

Gastroscopie: onderzoek waarbij de arts met een endoscoop (flexibele slang) de mondholte, keel, slokdarm, maag en twaalfvingerige darm kan bekijken. Eventueel kan de arts direct een biopt (stukje weefsel) wegnemen voor verder onderzoek. Soms krijgt de patiënt als verdoving een spray in de keel. De patiënt mag na het onderzoek voorzichtig onder begeleiding weer beginnen met het drinken wat water. Dat mag later uitgebreid worden.

H

Hartcatheterisatie: Door middel van een zeer dun slangetje dat de arts via de pols of lies bij de patiënt inbrengt, kan hij bekijken of de patiënt vernauwingen in de bloedvaten heeft.

Holteronderzoek: De patiënt draagt 24 uur lang een kastje bij zich dat met draden is bevestigd met plakkers op de borst. Zo zijn eventuele hartritmestoornissen achteraf te bepalen.

K

Kweekonderzoek: Door middel van een kweek afname kan door het laboratorium bepaald worden of er sprake is van een bacterie, virus of schimmel. Een kweek kan bijvoorbeeld afgenomen worden van urine, ontlasting, een wond, maar ook van huid.

M

MRI-scan: Door middel van niet-schadelijke elektromagnetische straling, maakt een laborant met de MRI-scanner (lange buis waar de patiënt in ligt) een reeks foto’s van de doorsnede van (een deel van) het lichaam. Wat is het verschil tussen een MRI en een CT scan?

N

Nierbioptie: onderzoek waarbij er een stukje weefsel van één van de nieren wordt weggehaald om een diagnose te kunnen stellen. Het onderzoek duurt ongeveer 20 minuten. De patiënt heeft naderhand een aantal uur bedrust en moet daarbij op de rug liggen.

P

PET-CT: beeldvormend onderzoek (PET-scan) met radioactieve stof om evt. activiteit (ontsteking of iets kwaadaardigs) in het lichaam vast te kunnen stellen.

S

Shuntplaatsing: Operatief maken van een shunt in de arm van de patiënt. Een slagader en ader worden op elkaar aangesloten, zodat de patiënt daarmee kan dialyseren.

X

X-thorax: Röntgenfoto van de thorax (borst).